Wat is coöperatief ondernemen?

Wat is coöperatief ondernemen?

Het coöperatieve gedachtegoed rust op drie fundamenten. Je vindt ze ook terug in de definitie van een coöperatie volgens de Internationale Coöperatieve Alliantie, de overkoepelende internationale organisatie van de coöperatieve beweging:

Een coöperatie is "... een autonome organisatie van personen die zich vrijwillig verenigen om hun gemeenschappelijke economische, sociale en culturele behoeften en ambities te behartigen door middel van een onderneming waarvan ze samen eigenaar zijn en die ze democratisch controleren" (ICA-definitie).

Deze drie kerngedachtes weerspiegelen de fundamentele waarden van de coöperatieve beweging: zelfredzaamheid, verantwoordelijkheidszin, democratie, gelijkheid, billijkheid en solidariteit. Om deze waarden concreet te verwezenlijken, formuleerde de Internationale Coöperatieve Alliantie zeven coöperatieve principes.

Bij coöperatief ondernemen draait het om samen ondernemen, samen verantwoordelijkheid nemen en samen de meerwaarde delen. Het coöperatieve gedachtegoed rust op drie fundamenten:

  1. Samen ondernemen. De coöperatie vertrekt vanuit een gemeenschappelijke behoefte en het verlangen van mensen om via samen te ondernemen te komen tot de invulling ervan.
  2. Eigenaarschap. De coöperatie kent geen puur winstbejag bij haar leden, die samen eigenaar zijn van hun coöperatie. Met andere woorden, een coöperaties streeft niet naar winstmaximalisatie maar naar doelmaximalisatie.
  3. Autonomie en zeggenschap. De coöperatie is autonoom en het beheer van de coöperatie gebeurt op een democratische manier.

Bij het vervullen van gemeenschappelijke behoeftes kan je denken aan burgers die samen hernieuwbare energie willen produceren, grond aankopen voor biolandbouw, samen een restaurant of supermarkt uitbaten omdat het goedkoper en kwaliteitsvoller kan, of omdat er bepaalde maatschappelijke behoeftes zijn die niet of onvoldoende door de markt of de overheid worden ingevuld. Het kan ook gaan over productie van groenten, fruit en zuivel, omdat ze gezamenlijk een faire prijs voor hun producten kunnen krijgen. Werknemers of ondernemers (bv. thuisverplegers, communicatieprofessionals, ….) kunnen ook een coöperatie starten om schaalvoordelen te genereren of om samen te werken rond bepaalde aspecten van de bedrijfsvoering.

Doelmaximalisatie is een van de belangrijke verschillen tussen een coöperatie en een andere ondernemingsvorm. Een coöperatie wil een zo goed mogelijke dienstverlening opzetten en meerwaarde creëren voor haar vennoten in functie van de gemeenschappelijke behoeftes en met aandacht voor de gemeenschap. Het is niet de bedoeling om zoveel mogelijk winst te maken voor een maximale vergoeding van het kapitaal. De vennoten zijn immers meestal niet alleen de aandeelhouders, maar tegelijkertijd ook net de gebruikers van de producten en diensten van de coöperatie. Dat neemt niet weg dat coöperaties winst kunnen maken - het gaat hem om de bestemming van die winst: die komt overeen met de doelstellingen. Het is ook goed om de solvabiliteit te versterken of een spaarpotje op te bouwen voor toekomstige investeringen.

Coöperaties zijn autonome zelforganisaties die gecontroleerd worden door hun leden. Als coöperaties akkoorden sluiten met andere organisaties, inclusief overheden, of kapitaal aantrekken van externe bronnen, dan doen ze dat zó dat de democratische controle door de leden en de autonomie van de coöperatie gewaarborgd is.

Democratische controle is een ander kenmerk van de coöperatie. Coöperaties zijn democratisch bestuurde organisaties, waarbij de vennoten actief deelnemen aan het beleid en de besluitvorming en er ook controle op uitoefenen. De leden van de coöperatie staan op voet van gelijkwaardigheid. Iedereen kan mee beslissen, onafhankelijk van het ingebrachte kapitaal. Door het principe van democratische besluitvorming zijn coöperatieve aandeelhouders niet alleen in financieel opzicht, maar ook sociaal gezien ‘eigenaar’ van hun coöperatie. Hun financiële aandeel geeft hen meteen een aandeel in het besluitvormingsproces van de coöperatie. In dit besluitvormingsproces worden de missie en de doelstellingen van de coöperatie bepaald en wordt controle op de realisatie ervan uitgeoefend. Het coöperatieve principe van gelijk stemrecht heeft tot gevolg dat coöperaties geen dominante aandeelhouders hebben. Het verband tussen stem en grootte van de kapitaalsinbreng is immers doorbroken. In principe geldt ‘één vennoot, één stem’, maar dit kan ook soepeler ingevuld worden als een beperking van stemrecht, zoals de Belgische wetgeving over de erkende coöperaties omschrijft. In een coöperatie kiest de algemene vergadering van de coöperanten de bestuurders, commissarissen en controlerende vennoten.

Coöperatief ondernemen is veel meer dan een juridische vorm van een vennootschap. Het is een uniek ondernemingsmodel waar de coöperatieve cultuur en organisatievorm hand in hand gaan. Waarden zoals zelfredzaamheid, verantwoordelijkheidszin, democratie, gelijkwaardigheid, billijkheid en solidariteit liggen ten grondslag aan de coöperatieve cultuur en worden vertaald in 7 internationaal erkende coöperatieve ondernemingsprincipes (de zogenaamde 7 ICA-principes).

Wereldwijd, en in toenemende mate ook in Vlaanderen, vormen de 7 ICA-principes het richtsnoer van het handelen van coöperaties. Deze principes zijn geen theoretische concepten. Integendeel. Ze zijn gegroeid uit jarenlange goede coöperatieve praktijken en vormen zo het DNA van de coöperatie. Maar aangezien coöperaties levende organismen zijn die zich voortdurend aanpassen aan hun maatschappelijke context, is het logisch dat ook hun erfelijk materiaal zich gestaag aanpast aan hun omgeving.

Terug naar boven

Korte geschiedenis

Het prille begin

Het coöperatieve gedachtegoed is eeuwenoud. De oude Grieken en Romeinen hadden begrafenisgilden en ambachtelijke verzekeringsmaatschappijen. In de middeleeuwen leefden sommige religieuze gemeenschappen samen in een vorm van collectieve economie. De gilden waren toen min of meer volgens coöperatieve ideëen gestructureerd.

Om van een echte coöperatie te kunnen spreken, moeten we wachten tot 1844. In het midden van de negentiende eeuw verloren de Britse wevers hun werk en inkomen door de mechanisering van de textielsector. 28 Britse flanelwevers richtten daarom de 'Vennootschap der Rechtvaardige Pioniers van Rochdale' op en elk lid bracht één pond kapitaal in de vennootschap. Door met dat geld samen levensmiddelen te kopen, waren die goedkoper. De eerste coöperatie was een feit en leefde volgende principes na:
  •  kapitaal werd slechts met een beperkt dividend vergoed;
  •  de leden kregen een deel van de winst in verhouding tot de verrichtingen die ze deden;
  •  in de besluitvorming gold het principe 'één lid, één stem';
  •  het beheer van de coöperatie was autonoom;
  •  en leden konden vrij toe- of uittreden.

Na verloop van tijd kwam er een winkeltje waardoor ook nieuwe leden van het inkoopvoordeel konden profiteren. In tien jaar tijd steeg het ledenaantal van 28 naar 1850.
In diezelfde periode zien we ook in Duitsland coöperaties ontstaan, onder impuls van Friedrich Wilhelm Raiffeisen, een Duitse burgemeester uit de 19e eeuw. De hongerwinter van 1846-1847 brengt bittere armoede in zijn regio. Raiffeisen stelt vast dat liefdadigheid geen soelaas brengt. Daarom bindt hij op zijn manier de strijd aan tegen armoede en ellende. Hij kiest hierbij voor een resoluut andere aanpak: zelfhulp. Hij brengt arme boeren samen om zichzelf en elkaar te helpen. Onderlinge solidariteit op basis van een coöperatieve structuur moet hen uit de armoede halen.

Hiermee wordt Raiffeisen de grondlegger van de eerste spaar- en kredietcoöperaties. Om kleine boeren de kans te geven hun levenssituatie te verbeteren, moeten ze volgens Raiffeisen een beroep kunnen doen op goedkope financiële kredieten.
Met het oog hierop creëert hij spaar- en kredietcoöperaties. De leden van deze coöperaties leggen hun spaargeld samen en wie geld nodig heeft, kan dit lenen tegen voordelige tarieven.

Het werkt! Door de positieve resultaten van deze spaar- en kredietkassen neemt hun aantal snel toe. Er komen overkoepelende organisaties en een centrale instantie.
Zo ontstaat het Raiffeisenstelsel, een coöperatieve structuur met lokale autonomie.
De beginselen van Raiffeisen waren de volgende:

  • beperkt werkgebied: zowel omwille van praktische redenen als belang sociale cohesie en controle;
  • bestuurders werkten onbezoldigd;
  • onbeperkte en hoofdelijke aansprakelijkheid: zowel om betrouwbaarheid van de bank te vergroten als om goed beheer te stimuleren;
  • eventuele winst, want dit is geen doel op zich. Deze dient naar reserves te gaan. Opbouw van eigen vermogen acht hij heel belangrijk;
  • in den beginne is 'kapitaal in dode hand' de regel. Daarna volgt een dividend dat nooit hoger lag dan de rente die leden voor hun spaargeld kregen.

Raiffeisen heeft in zijn streek de basis gelegd voor vier soorten coöperaties:

  • De kredietcoöperatie, die spaarmiddelen mobiliseert en omzet in consumptie- en productieve kredieten;
  • De landbouwcoöperatie, waarbij boeren door samenaankoop en -verkoop hun onderhandelingspositie ten opzichte van leveranciers en afnemers versterken;
  • De productiecoöperatie, die een (agro)-industrieel productieproces beheert;
  • De consumentencoöperatie, die zich in hoofdzaak richt op de detailhandel.

Terug naar boven

De Belgische coöperatieve geschiedenis in een notendop

In België werd in 1873 de eerste wet op coöperatieve ondernemingen van kracht. Maar de hierin vastgelegde principes waren veel soepeler dan die van de Rechtvaardige Pioniers. Binnen de coöperatieve beweging uit die tijd waren er twee strekkingen. De ene vond dat de coöperatie zich moest beperken tot het aanbieden van goederen van goede kwaliteit aan een lage prijs aan haar leden. De andere vond dat ze ook op de politiek moest kunnen wegen.

In 1873 richtten enkele wevers, spinners en ambachtslui in Gent de bakkerij van de Vrije Bakkers op. In navolging daarvan ontstond de Vooruit, een vennootschap die niet alleen de materiële toestand van haar leden wilde verbeteren, maar ook hun belangen op politiek vlak verdedigen. Daarna volgden volksapotheken, een bibliotheek en een socialistisch dagblad. België heeft ook een rijke geschiedenis van coöperatieve banken en spaarkassen. Zowel vanuit de arbeidersbewegingen als vanuit de landbouwersbeweging werden coöperatieve spaar- en kredietkassen opgericht om de sociaaleconomische positie te versterken van bevolkingsgroepen die niet tot de elite van hun tijd behoorden. Pastoor J.F Mellaerts, de oprichter van de eerste Belgische Raiffeisenkas in 1892 in Rillaar (Aarschot), was tevens grondlegger van Boerenbond. Niet verwonderlijk dat ons land, tot op heden, ook een rijke geschiedenis van landbouwcoöperaties kent.

De wet van 1873 was echter zo soepel dat heel wat vennootschappen zich coöperatie noemden zonder de principes ervan toe te passen. Zo ontstonden de termen 'echte coöperaties', die de principes van Rochdale en Raiffeisen in acht namen, en 'oneigenlijke coöperaties', die enkel gebruik maakten van de faciliteiten van het statuut.

In het begin van de 20ste eeuw werd de Federatie der Belgische Socialistische Coöperaties opgericht. Die had als doel de aankopen van 250 verbruikscoöperaties te centraliseren, de onderlinge concurrentie te regelen en de coöperatieve idee te verspreiden.
In 1935 werd de wet op de coöperatieve vennootschappen opgenomen in de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen.
In 1955 werd de Nationale Raad voor de Coöperatie (NCR) opgericht. Die had tot doel het coöperatieve gedachtegoed te bevorderen en de regering te adviseren. De organisatie erkende 'echte coöperaties' zodat die zich van de andere konden onderscheiden en van een aantal voordelen konden genieten.
Vanaf de jaren vijftig van de twintigste eeuw geraakte de coöperatieve beweging in verval, onder meer omdat ze niet meer kon concurreren met de grote winkelketens. Het coöperatieve model bleef echter wel sterk staan in de agrarische en financiële sector en in de farmaceutische distributie.

De wet van 1991

In 1991 werd de wet op de coöperatieve vennootschappen grondig hervormd:

  • er kwam een onderscheid tussen de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (cvba) en de coöperatieve vennootschap met onbeperkte en hoofdelijke aansprakelijkheid (cvoha);
  • de coöperatieve participatievennootschap werd ingevoerd;
  • het minimumkapitaal nodig voor de oprichting van een cvba werd opgetrokken naar 750.000 frank (18.550 euro);
  • voor de oprichting van een cvba werd een notariële akte verplicht;
  • het financieel plan van de cvba moest worden voorgelegd aan een notaris;
  • het vereiste minimumkapitaal moest worden gestort op een afzonderlijke rekening op naam van de cvba;
  • was er sprake van duidelijk ontoereikend maatschappelijk kapitaal en ging de coöperatie binnen de drie maanden na oprichting failliet, dan waren de vennoten hoofdelijk aansprakelijk;
  • een revisor moest inbrengen in natura schatten;
  • de overdracht van aandelen aan derden werd beperkt;
  • bij uitsluiting van een vennoot moesten de principes van het recht van verdediging worden gerespecteerd;
  • het besluitvormingsprincipe 'een mens, een stem', werd vervangen door 'een aandeel, een stem'.

In 1995 kwamen er twee aanvullingen op de wet van 1991:

  • de invoering van de coöperatieve vennootschap met sociaal oogmerk (cvso), die haar winst kon toewijzen aan een sociaal oogmerk;
  • een verbod om de winst te verdelen als de netto activa kleiner waren dan het minimumkapitaal.

Terug naar boven

De situatie in België vandaag

De Belgian Cooperative Monitor vertelt ons meer over de situatie in België vandaag. Sinds 2017 is de ‘Belgian Cooperative Monitor’ een samenwerking tussen Cera en Febecoop. Dat zijn twee Belgische organisaties die het coöperatieve ondernemingsmodel promoten en ondersteunen.
In een notendop: in België zijn er niet minder dan 25.405 coöperatieve vennootschappen. Het aantal erkende daarvan stijgt. Alles samen staan coöperatieve vennootschappen in voor 5,5% van het BBP. Het aandeel van coöperatieve vennootschappen in de Belgische economie is zonder twijfel significant. In 2015 hadden zij een totale omzet van 22,5 miljard euro, een stijging van 3,5 miljard ofwel 18% sinds 2010. Hun balanstotaal bedroeg samengeteld in 2015 161 miljard euro, een stijging van 17% sinds 2010, en vertegenwoordigt zo ongeveer 6,5% van alle Belgische organisaties. Coöperatieve vennootschappen zijn actief in heel diverse sectoren: van land- en tuinbouw over industriële en het merendeel in dienstverlenende activiteiten. Cooperaties dragen bij tot werkgelegenheid, verankering van lokaal en gedeeld ondernemerschap, tewerkstelling, welvaart en welzijn.

Opvallend: een sterke stijging van het aantal - voor de Nationale Raad voor de Coöperatie - erkende coöperaties, van circa 500 in 2010 en 2015 naar circa 600 begin 2017.

Terug naar boven

Het imago van de coöperaties

De Vlaamse coöperaties hebben een rijke geschiedenis achter de rug, internationale instellingen promoten de coöperaties en in onze buurlanden is de coöperatie een belangrijke en waardevolle bedrijfsvorm. En toch, in Vlaanderen heeft de coöperatie (nog altijd) een minder fris imago. Waarom?

Iedereen erkent weliswaar dat de coöperaties een belangrijke rol hebben gespeeld bij de ontvoogding van de 'gewone man'. Waren de eerste apotheken, verzekeringsmaatschappijen en spaarkassen immers niet coöperatief? Verdienstelijk, maar dat was lang geleden. Zoals we hiervoor al gezien hebben, werd tot 1991 de coöperatieve vennootschap jammer genoeg soms gebruikt om snel en zonder al te veel kapitaalsinbreng een soepele juridische structuur uit de grond te stampen. Het ideologische deel van de coöperatie over democratie en stakeholderschap belandde in de prullenmand. Het hoeft geen betoog dat een aantal van die nieuwe snel-en-goedkoop-op-te-richten coöperaties eigenlijk prutsvennootschappen waren. Gevolg: economen en bankiers voelden enige argwaan wanneer ze met een coöperatieve vennootschap werden geconfronteerd. 

Na de hervorming van 1991 kon de bedrijfsvorm niet meer misbruikt worden. Coöperatieve vennootschappen waren net zo gereguleerd als naamloze vennootschappen of bvba's. Maar het aura van tweederangsvennootschap bleef. Dat had deels te maken met onwetendheid: onderwijs en werkgeversorganisaties kenden het statuut niet of slecht. Als de coöperatieve vennootschap al eens vermeld werd in een handboek, dan was het ofwel heel beknopt ofwel verkeerd.

In de voorbije twintig jaar is het aantal Belgische coöperaties gegroeid tot ongeveer 25.000. Ze zijn in allerlei economische sectoren actief. Zij hebben een visie en manier van werken die verschilt van andere vennootschappen. Zoals uit deze site blijkt, hebben die niets meer vandoen met de nepcoöperaties uit het verleden. Integendeel: naar onze bescheiden mening bieden zij een mooi economisch en waardegedreven alternatief. Tijd dus voor een nieuw en beter imago.

Terug naar boven